ECLI:NL:CRVB:2021:2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende onderbouwde beperkingen bij zitten
Appellante, voormalig huishoudelijke hulp, meldde zich ziek vanwege chronische lage rugklachten met uitstraling naar het rechterbeen en psychische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering werd bij herbeoordeling vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op WIA-uitkering verviel. Appellante maakte bezwaar en stelde dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen, met name bij zitten en zitten tijdens het werk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid zorgvuldig hadden vastgesteld, waarbij lichte beperkingen bij zitten waren aangenomen. De medische rapporten van de door appellante ingeschakelde medisch adviseur boden onvoldoende onderbouwing om het oordeel te wijzigen. Het Uwv had bovendien gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidspercentage was gebaseerd medisch geschikt waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er meer beperkingen moesten gelden, ondersteund door aanvullende medische rapporten en brieven van de huisarts. De Raad volgde dit niet, omdat de klachten vooral betrekking hadden op het rechterbeen en beperkingen bij staan plausibel waren, maar verdere beperkingen bij zitten niet voldoende waren onderbouwd. Nieuwe klachten na de datum in geding speelden geen rol. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.