ECLI:NL:CRVB:2021:2759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 52,33% door UWV
Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder/straler, meldde zich in mei 2016 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 21 mei 2018 voor 52,33% arbeidsongeschikt is. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen en klachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen onderschat waren, onder meer vanwege lichamelijke klachten en slaapproblematiek, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de beperkingen overtuigend waren gemotiveerd. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwijfelen of een deskundige te benoemen. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 52,33% arbeidsongeschiktheid door het UWV.