ECLI:NL:CRVB:2021:2725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als verkoopster, meldde zich in 2015 ziek met rug- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek naar haar psychische klachten te summier was en dat de verzekeringsarts ten onrechte had gerapporteerd dat zij weer volledig werkte. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek adequaat was, dat er geen aanwijzingen waren voor psychopathologie en dat de fysieke beperkingen juist waren vastgesteld. De door het UWV geselecteerde functies waren medisch geschikt voor appellante.
De Raad concludeerde dat de eerdere beoordeling en de weigering van de WIA-uitkering terecht waren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.