ECLI:NL:CRVB:2021:2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WIA-dagloon en eerste arbeidsongeschiktheidsdag zonder medische afzakker
Appellant was van 2004 tot 2013 werkzaam als pedagogisch medewerker en daarna senior coördinator bij een BV. Na ziekte met psychische klachten ontving hij een WIA-uitkering met een dagloon vastgesteld op basis van zijn inkomen tussen 1 februari 2015 en 1 februari 2016. Appellant stelde dat het dagloon op basis van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag en een hogere functie moest worden vastgesteld.
De rechtbank wees dit af omdat appellant niet als medische afzakker kon worden aangemerkt en geen IVA-situatie bestond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, ondersteund door medische verklaringen, maar de Raad oordeelde dat deze niet aantonen dat appellant vanaf 2012 ongeschikt was voor werk gedurende de vereiste periode.
De Raad vernietigde het eerdere besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde, maar verwierp het beroep tegen het gewijzigde besluit dat een IVA-uitkering toekende met de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 18 februari 2016. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 18 februari 2016 en het vastgestelde WIA-dagloon, wijst het beroep tegen het gewijzigde besluit af en veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.