ECLI:NL:CRVB:2021:2648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over Ziektewetuitkering ondanks geschil over beperkingen appellant
Appellant, voormalig kok en beveiliger, meldde zich ziek met nek-, rug- en knieklachten na een val op het werk. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die later werd beëindigd omdat hij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegenomen en verzocht om een onafhankelijke deskundige. Het UWV handhaafde het besluit na medische en arbeidskundige herbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en overhandigde aanvullende medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde een gewijzigde FML op met aangepaste beperkingen, waarop de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies herbeoordeelde. Het UWV stelde dat appellant nog steeds meer dan 65% van zijn loon kan verdienen.
De Raad concludeerde dat het UWV met de rapporten voldoende rekening had gehouden met de beperkingen van appellant en dat de medische informatie geen aanleiding gaf tot twijfel over de beoordeling. Er was geen grond voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit bevestigd; het UWV wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.