ECLI:NL:CRVB:2021:2613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als receptionist en meldde zich op 20 juli 2015 ziek. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per 16 juli 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen benutbare mogelijkheden had en dat zijn beperkingen waren onderschat, onderbouwd met medische stukken en een dagverhaal.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 januari 2019 alle medisch objectieve klachten weerspiegelde. De Raad vond geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.