ECLI:NL:CRVB:2021:2608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. In eerste aanleg heeft de rechtbank haar beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen, met name door lupus en sarcoïdose, onvoldoende zijn erkend in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de gronden in hoger beroep een herhaling zijn van eerdere argumenten die reeds door de rechtbank zijn beoordeeld en verworpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van juni 2019 en januari 2020 gemotiveerd dat de beperkingen passend zijn bij de klachten en dat er geen medische noodzaak is voor aanvullende beperkingen. De brief van de longarts biedt volgens de verzekeringsarts geen aanleiding tot een andere beoordeling.
Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht die twijfel kunnen zaaien over de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.