ECLI:NL:CRVB:2021:2608

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
20/1572 WIA-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. In eerste aanleg heeft de rechtbank haar beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen, met name door lupus en sarcoïdose, onvoldoende zijn erkend in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat de gronden in hoger beroep een herhaling zijn van eerdere argumenten die reeds door de rechtbank zijn beoordeeld en verworpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van juni 2019 en januari 2020 gemotiveerd dat de beperkingen passend zijn bij de klachten en dat er geen medische noodzaak is voor aanvullende beperkingen. De brief van de longarts biedt volgens de verzekeringsarts geen aanleiding tot een andere beoordeling.

Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens ingebracht die twijfel kunnen zaaien over de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

20.1572 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 maart 2020, 19/1231 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 oktober 2021
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: A.M.M. Chevalier
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2021. Namens appellante is
mr. M.H.J.M. Stassen, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het Uwv heeft bij besluit van 12 juli 2018, gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2019 (bestreden besluit), geweigerd aan appellante met ingang van 6 augustus 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar mogelijkheden en beperkingen niet juist zijn weergegeven in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 19 maart 2019. De beperkingen die voortkomen uit de aandoening lupus zijn onvoldoende onderkend en ook de door de longarts bij brief van 20 november 2019 vastgestelde diagnose sarcoïdose moet tot meer beperkingen leiden. Deze diagnose was al gesteld door de immunoloog en moet al hebben bestaan op de datum in geding.
3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 17 juni 2019 en 16 januari 2020 overtuigend en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de voor appellante op de datum in geding aangenomen beperkingen naar hun aard en omvang passen bij de klachten van appellante en dat er geen medische noodzaak bestaat voor het aannemen van meer beperkingen. Over de brief van de longspecialist heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat dit geen basis biedt voor het aannemen van aanvullende beperkingen ten aanzien van de datum in geding. De rechtbank heeft geen reden gezien om dit standpunt niet te volgen. Dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat appellante in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
4. Het hoger beroep slaagt niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M.M. Chevalier (getekend) M. Schoneveld