ECLI:NL:CRVB:2021:256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, ontving sinds 2011 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV vast dat appellant met beperkingen nog 72,24% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor de WGA-uitkering per 10 maart 2018 werd beëindigd. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarna de rechtbank Den Haag het besluit bevestigde.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn narcolepsie zodanige beperkingen geeft dat loonvormende arbeid niet mogelijk is en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen door narcolepsie zijn onderschat. Het UWV had een urenbeperking van 30 uur per week aangenomen en geen uiterlijke tekenen van moeheid of concentratieproblemen geconstateerd.
De door appellant overgelegde medische stukken bevatten geen nieuwe gegevens. De medische beoordeling van het UWV was zorgvuldig en in lijn met de feiten. De Raad wees het verzoek tot deskundigenbenoeming af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de WGA-uitkering terecht is beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellant is terecht beëindigd vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.