ECLI:NL:CRVB:2021:2552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
15 oktober 2021
Zaaknummer
19/4771 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het college trok de bijstand in omdat uit een huisbezoek bleek dat appellante en haar drie kinderen niet hun hoofdverblijf hadden op dat adres. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd gewezen op de afwezigheid van persoonlijke en huishoudelijke zaken die normaal aanwezig zijn bij een hoofdverblijf.

Appellante stelde dat haar verhuizing nog niet was afgerond en dat het onderzoek onzorgvuldig was, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt. Ook het verzoek tot een tweede huisbezoek werd afgewezen. In hoger beroep herhaalde appellante haar eerdere argumenten, maar de Raad vond de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank juist en sluitend.

Daarnaast erkende appellante later dat zij ten tijde van de intrekking noodgedwongen nog bij haar ex-man inwoonde. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitspraak

19.4771 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2019, 19/3980 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 28 september 2021
Zitting heeft: A.M. Overbeeke, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J.E. Mink
Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. F. Ayar, advocaat. Als tolk is verschenen A. Manuelyan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante ontving vanaf 25 december 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 18 mei 2010 in de basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).
Bij besluit van 11 februari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van
29 januari 2019 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat uit de onderzoeksresultaten, in het bijzonder het huisbezoek op 29 januari 2019, blijkt dat appellante vanaf 29 januari 2019 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Door hier geen melding van te maken heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het niet aannemelijk is dat appellante en haar drie kleine kinderen ten tijde van het huisbezoek hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. Alleen al de bevindingen over wat er niet op het uitkeringsadres is aangetroffen, in samenhang bezien met de verklaringen van appellante, bieden een voldoende feitelijke grondslag voor die conclusie. De hele woning was erg koud, er was totaal geen speelgoed aangetroffen, er was geen of nauwelijks vuile was, er was geen wasrek of wasmand, er waren maar twee handdoeken, er waren nauwelijks etenswaren en appellante kon geen administratie tonen. De stelling van appellante dat op het moment van het huisbezoek haar verhuizing nog niet was afgerond, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, temeer niet omdat zij ter zitting heeft verklaard sinds november/december 2018 met haar kinderen op het uitkeringsadres te wonen. Het betoog dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het college een tweede huisbezoek af had moeten leggen slaagt niet. Appellante heeft geen wijziging in haar woonsituatie doorgegeven, waarmee zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden zodat het college gehouden was de bijstand van appellante in te trekken.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellante in het kader van een latere aanvraag heeft erkend dat zij, zo blijkt uit een gespreksverslag van 17 oktober 2019, ten tijde van de intrekking – noodgedwongen – nog inwoonde bij haar ex-man.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.E. Mink (getekend) A.M. Overbeeke