ECLI:NL:CRVB:2021:2543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na wachttijd
Appellante was sinds september 2014 arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval en ontving geen WIA-uitkering na de wachttijd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Zij stelde dat haar medische beperkingen per 9 april 2018 waren toegenomen en vroeg om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde dit op grond van het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De rechtbank oordeelde dat het UWV de juiste beoordeling had gemaakt, waarbij de verzekeringsarts geen toename van beperkingen vaststelde en de psychische klachten van latere datum waren en niet meegenomen konden worden in de beoordeling. Appellante voerde aan dat een psychiater twijfels had geuit over de medische beoordeling, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het geschil beperkt was tot de vraag of er per 9 april 2018 sprake was van toegenomen medische beperkingen. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat dit niet het geval was. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen vanwege het ontbreken van noodzakelijke twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd, waardoor appellante geen WIA-uitkering krijgt per 9 april 2018.