ECLI:NL:CRVB:2021:2477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ZW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis WW
Appellant was werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich ziek op 31 mei 2018. Zijn dienstverband eindigde op 31 december 2018 waarna hij een Ziektewet-uitkering ontving. Deze uitkering werd per 1 juli 2019 beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen.
Appellant meldde zich opnieuw ziek op 30 juli 2019 en vroeg een nieuwe ZW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat hij niet verzekerd was voor de ZW. Dit was het gevolg van het feit dat hij niet voldeed aan de wekeneis voor een WW-uitkering, die hij op 1 juli 2019 had aangevraagd maar die was afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de gronden zich richtten op besluiten die in rechte vaststaan.
In hoger beroep herhaalde appellant dat hij wel aan de wekeneis voldeed en dus recht had op een WW-uitkering en daarmee verzekerd was voor de ZW. De Raad oordeelde dat deze gronden buiten de omvang van het geding vielen omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van afwijzing van de WW-uitkering. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de ZW-uitkering wordt bevestigd.