ECLI:NL:CRVB:2021:2473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens aanspraak op studiefinanciering in de vorm van lening
Appellante ontving sinds 12 september 2012 een Wajong-uitkering. Na aanvang van haar MBO-opleiding Commercieel medewerker in februari 2017 verlaagde het UWV haar uitkering omdat zij aanspraak had op studiefinanciering. In februari 2018 meldde appellante dat zij geen recht meer had op een prestatiebeurs, maar wel op een lening voor haar vervolgopleiding Verzorgende IG. Het UWV handhaafde daarop de verlaging van de uitkering.
Appellante voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat lenen geen optie is omdat zij zich niet in schulden kan werken, en dat haar uitkering daarom verhoogd moest worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor de Wajong-uitkering niet van belang is of studiefinanciering feitelijk is ontvangen, maar of aanspraak op studiefinanciering bestaat.
De Raad bevestigde dat appellante op de datum in geschil aanspraak had op studiefinanciering in de vorm van een lening en dat de inkomensondersteuning daarom op 25% van de grondslag moet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de Wajong-uitkering tot 25% van de grondslag vanwege aanspraak op studiefinanciering in de vorm van een lening.