Uitspraak
19 1457 WAJONG
19 maart 2019, 18/598 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds 2010 Wajong-uitkeringsgerechtigde vanwege artritis psoriatica en spier- en gewrichtsklachten, kreeg per 1 januari 2018 een verlaging van haar uitkering van 75% naar 70% van het minimumloon. Het UWV stelde dat zij arbeidsvermogen heeft, wat door de rechtbank werd bevestigd na een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.
Appellante voerde hoger beroep aan tegen deze verlaging, stellende dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar medische situatie ernstiger was dan door het UWV ingeschat. Zij overhandigde aanvullende medische documenten ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een dossierstudie had verricht en dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de medische situatie op de peildatum ernstiger was.
De Raad volgde het oordeel dat appellante ten minste vier uur per dag en een uur aaneengesloten belastbaar is en dat de taak ‘scannen’ passend is bij haar vaardigheden. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen omdat de wetsbepalingen dwingendrechtelijk zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de Wajong-uitkering bevestigd.