ECLI:NL:CRVB:2021:2417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitsluiting AOW-verzekering wegens ontbreken ingezetenschap en rechtmatig verblijf
Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd, waarbij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) vaststelde dat hij niet verzekerd was geweest voor de AOW in de periodes van 18 september 1966 tot en met 29 februari 1992 en van 8 mei 1996 tot en met 17 september 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat hij wel verzekerd was in meerdere betwiste periodes.
De Raad oordeelt dat appellant in de periode van 12 januari 1991 tot en met 29 februari 1991 geen ingezetene was omdat hij nog kort in Nederland verbleef en geen duurzame woonruimte had. Ook in de periode van 8 mei 1996 tot 1 juli 1998 was appellant niet als ingezetene aan te merken vanwege het ontbreken van inschrijving en duurzame band met Nederland.
Vanaf 1 juli 1998 is de Koppelingswet van toepassing. De Raad bevestigt dat appellant in de periodes van 1 juli 1998 tot en met 26 maart 2000 en van 17 april 2000 tot en met 17 september 2016 terecht van verzekering is uitgesloten omdat hij geen rechtmatig verblijf had volgens de Vreemdelingenwet en niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6, tweede lid, van de AOW. Het beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de betwiste perioden vanwege ontbreken ingezetenschap en rechtmatig verblijf.