ECLI:NL:CRVB:2021:2385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als heftruckchauffeur, vroeg een WIA-uitkering aan die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een melding van verslechtering van zijn gezondheid per 20 maart 2017, wees het UWV opnieuw een aanvraag af wegens het ontbreken van nieuwe beperkingen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat medisch onderzoek geen aanwijzingen gaf voor een toename van arbeidsongeschiktheid. De diagnose kinkhoest, genoemd door appellant, kon niet worden onderbouwd met concrete medische gegevens. Ook de vermeende toename van klachten zoals hoestbuien, flauwvallen en vermoeidheid werd niet als voldoende nieuw aangemerkt.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om aan de juistheid van de medische beoordelingen te twijfelen. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af en bevestigde de eerdere uitspraak.
De Raad concludeerde dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 20 maart 2017 omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als bij de eerdere beoordeling. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.