ECLI:NL:CRVB:2021:2325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verzorgende IG en begeleidster, meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De WIA-uitkering werd geweigerd.
Appellante maakte bezwaar en het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, de medische beoordeling juist en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijden. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat haar beperkingen waren onderschat, mede door haar gezondheidsproblemen en het ontbreken van contact met de arbeidsdeskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De medische stukken en rapporten toonden geen aanleiding om de beperkingen verder aan te scherpen. De Raad vond dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de medische problematiek en de situatie van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.