ECLI:NL:CRVB:2021:2308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum AOW-pensioen op 1 februari 2017 wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant bereikte op 15 november 2016 de pensioengerechtigde leeftijd voor AOW en vroeg zijn ouderdomspensioen aan met terugwerkende kracht. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met ingang van 1 februari 2017, met een nabetaling. Appellant stelde dat hij recht had op een eerdere ingangsdatum, omdat hij niet tijdig had aangevraagd vanwege onbekendheid en gebrek aan digitale middelen.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, AOW, waardoor de terugwerkende kracht beperkt bleef tot één jaar. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet voldoen aan de criteria voor een bijzonder geval. Onbekendheid met de wet en het ontbreken van digitale middelen zijn onvoldoende om een langere terugwerkende kracht toe te kennen.
De Raad wijst erop dat de AOW is gebaseerd op een omslagstelsel, waarbij betaalde premies niet direct rechten opbouwen. Ook de principiële bezwaren van appellant tegen de ingangsdatum 1 februari 2017 in plaats van 9 of 15 februari 2017 worden verworpen vanwege systeemtechnische redenen en recente wetswijzigingen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het AOW-pensioen van appellant ingaat op 1 februari 2017 en wijst het hoger beroep af.