ECLI:NL:CRVB:2021:2265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering
Appellant, die zich ziekmeldde met psychische en fysieke klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af wegens vermeend ontbreken van een verzekerd dienstverband. De Raad stelde vast dat appellant wel verzekerd was en beval een nieuwe beoordeling.
Na nieuw medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een psychiater, stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 50,09% en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch oordeel zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV niet bevoegd was om de mate van arbeidsongeschiktheid te herbeoordelen en dat de psychiater niet onafhankelijk was. De Raad oordeelde dat het UWV wel bevoegd was tot heroverweging en dat het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was. Er was geen aanleiding voor een deskundigenbericht of een hogere uitkering.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid die recht zou geven op een IVA-uitkering.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht vastgesteld op 50,09%, waardoor appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering.