ECLI:NL:CRVB:2021:2261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en terugvordering voorschotten wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een periode van ziekte met psychische klachten. Het UWV heeft de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35% op basis van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, inclusief expertise van psychiater Bouten en neuropsychologisch onderzoek. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordelen dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de informatie van de huisarts en geriater adequaat is betrokken.
Appellant voerde aan dat het onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn cognitieve klachten en dat nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk was. Dit verweer werd verworpen omdat de medische rapporten en aanvullende brieven van specialisten de conclusies van de verzekeringsarts bevestigen. De functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, zijn medisch passend bevonden.
Verder is vastgesteld dat appellant geen recht had op de betaalde voorschotten over de periode 1 augustus tot en met 31 december 2017, en dat het UWV deze terecht heeft teruggevorderd. Er zijn geen dringende redenen voor het afzien van terugvordering, en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering en de rechtmatigheid van de terugvordering van voorschotten.