ECLI:NL:CRVB:2021:2251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerker hospitality, meldde zich ziek in januari 2015 en vroeg in september 2016 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Bij bezwaar en beroep werden aanvullende medische rapporten opgesteld, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep meerdere aandoeningen en beperkingen vaststelde, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische beoordeling deugdelijk was en dat de beperkingen objectief medisch vastgesteld moesten zijn. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep prevaleerde boven dat van haar eigen verzekeringsarts, die meer beperkingen stelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid en inzichtelijk had gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen wel of niet waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had de geschiktheid van functies deugdelijk gemotiveerd. Omdat geen twijfel bestond over de juistheid van de medische beoordeling, zag de Raad geen aanleiding voor het raadplegen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.