ECLI:NL:CRVB:2021:223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2006 arbeidsongeschikt is vanwege heupklachten, ontving een WGA-uitkering die in 2017 werd herbeoordeeld op verzoek van zijn werkgever. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het UWV beëindigde daarop de WGA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Het rapport van een medisch adviseur, De Groot, gaf volgens de rechtbank onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over het gebruik van oxycodon en de geschiktheid van de geselecteerde functies. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van oxycodon geen reden is voor extra beperkingen en dat de functies medisch passend zijn.
De Raad concludeerde dat de WGA-uitkering terecht is beëindigd en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij geen aanleiding werd gezien voor benoeming van een deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering van appellant terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.