Uitspraak
20 764 ZW, 20/1593 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als verzorgende thuiszorg, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarbij medische en arbeidsdeskundige rapporten werden opgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen en belastbaarheid van appellante zorgvuldig waren vastgesteld, rekening houdend met haar psychische problematiek en lichamelijke klachten. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen onderschat waren, met name door PTSS en EMDR-behandeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het eerste besluit onjuist is vanwege het gewijzigde standpunt van het UWV en vernietigt dit besluit en de eerdere uitspraak. Het tweede besluit, waarin het UWV de uitkering beëindigt met ingang van 17 mei 2019, wordt echter gehandhaafd. De Raad onderschrijft de medische en arbeidsdeskundige motivering dat de functies geschikt zijn en dat de beperkingen adequaat zijn meegenomen. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 17 mei 2019 bevestigd.