ECLI:NL:CRVB:2021:2176
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht minister op opvragen inkomensgegevens voor aanvullende beurs
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om zijn inkomensgegevens op te vragen bij de Belastingdienst voor de berekening van de ouderlijke bijdrage voor de aanvullende beurs van zijn dochter. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De Raad overwoog dat de minister op grond van artikel 9.6 van de Wet studiefinanciering 2000 bevoegd is om inkomensgegevens op te vragen zonder toestemming van appellant, zoals ook blijkt uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De stelling van appellant dat de artikelen over de ouderlijke bijdrage in strijd zijn met artikel 10 van Pro de Grondwet werd verworpen vanwege het toetsingsverbod van formele wetgeving door de rechter.
Ook het argument dat appellant geen ouder meer zou zijn omdat het ouderlijk gezag was beëindigd, faalde omdat het begrip ouder in de Wsf 2000 breder is dan gezag. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de minister blijft bevoegd om inkomensgegevens op te vragen.