Uitspraak
16 januari 2020, AWB 19/1086 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig juridisch medewerkster, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een medische en arbeidsdeskundige beoordeling stelde het UWV vast dat zij in staat was om meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen met aangepast werk. De uitkering werd daarom beëindigd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische beperkingen en de geselecteerde functies adequaat waren beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische aandoening ernstiger was en dat zij niet geschikt was voor de voorgestelde functies, met name vanwege concentratieproblemen en samenwerkingsbeperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling en de functionele mogelijkhedenlijst voldoende gemotiveerd waren en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. Ook de arbeidsdeskundige motivering over de geschiktheid van de functies werd onderschreven. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering van appellante heeft beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.