ECLI:NL:CRVB:2021:2115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid en weigering Ziektewetuitkering door UWV
Appellant heeft zich meerdere malen ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet met psychische klachten. Het UWV heeft na medisch onderzoek vastgesteld dat appellant geschikt was voor zijn eigen arbeid als (algemeen) medewerker stekbedrijf op 16 maart 2018 en 7 juni 2019. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn psychische beperkingen zodanig waren dat hij niet kon werken.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie en verwees naar een positief advies voor een indicatie beschut werk. Het UWV stelde dat de hersteldverklaring onherroepelijk was en dat er geen medische verslechtering was.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De medische stukken ondersteunen niet dat appellant ongeschikt was voor zijn eigen arbeid. Ook het verwijzen naar een indicatie beschut werk leidt niet tot een ander oordeel. De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.