ECLI:NL:CRVB:2021:2093

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 augustus 2021
Publicatiedatum
20 augustus 2021
Zaaknummer
20/3621 AW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens te late indiening bij Sociale verzekeringsbank

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Hiertegen stelde appellante verzet in. De Raad onderzocht of het verzet tijdig was ingediend. De uiterste datum voor het indienen van het verzetschrift was 2 april 2021, maar het verzetschrift werd pas op 23 april 2021 ontvangen, met een poststempel van 22 april 2021.

De gemachtigde van appellante voerde aan dat het late indienen te wijten was aan de tijd die nodig was voor overleg met appellante na ontvangst van de uitspraak. De Raad oordeelde echter dat appellante niet had aangetoond dat het te late indienen niet aan haar te wijten was. Het verzetschrift was gedateerd op 29 maart 2021, dus tijdig opgesteld, maar er was geen pro forma verzetschrift binnen de termijn ingediend om de termijn te bewaren.

De Raad stelde dat de gemachtigde binnen de termijn een pro forma verzetschrift had kunnen indienen en daarna nog overleg had kunnen voeren. Omdat dit niet was gebeurd, werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te kennen aan appellante. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree op 13 augustus 2021.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzetschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 augustus 2021
20/3621 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2020, 19/5664 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak op 19 februari 2021 nietontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk
in behandeling kan nemen. De Raad heeft de uitspraak gedaan zonder een zitting te houden, op grond van de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellante is het niet eens met de uitspraak van de Raad van 19 februari 2021. Daarom heeft de heer [X] namens haar verzet gedaan.
Het verzet is behandeld op de zitting van 2 juli 2021. Namens appellante was haar gemachtigde de heer [X] aanwezig. De Svb is niet naar de zitting gekomen.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van 19 februari 2021 heeft de Raad het hoger beroep van appellante nietontvankelijk verklaard, omdat zij het griffierecht niet heeft betaald.
De Raad moet eerst bekijken of appellante op tijd verzet heeft gedaan. De laatste dag om tijdig een verzetschrift in te dienen was 2 april 2021. De Raad heeft het verzetschrift ontvangen op 23 april 2021. Volgens de poststempel is het op 22 april 2021 verzonden. Het verzetschrift is dus niet op tijd bij de Raad ingediend.
In verzet stelt de gemachtigde van appellante dat hij nadat hij de uitspraak van 19 februari 2021 ontving, contact heeft opgenomen met appellante. Het over en weer contact onderhouden kost tijd en daarom was hij laat met het indienen van het verzetschrift.
De Raad is van oordeel dat niet is aangetoond dat het niet aan appellante te wijten is dat het verzetschrift te laat is ingediend. Het verzetschrift is gedateerd op 29 maart 2021. Op dat moment kon nog op tijd verzet worden gedaan. De gemachtigde van appellante heeft ook bevestigd dat hij de uitspraak tijdig heeft ontvangen, maar dat er nog overleg nodig was met appellante. De Raad vindt dat de gemachtigde van appellante binnen de gestelde termijn een pro forma verzetschrift in had kunnen dienen en daarna nog met appellante had kunnen overleggen. Omdat hij dit niet heeft gedaan moet het verzet niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellante te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2021.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) A.L.K. Dagmar