ECLI:NL:CRVB:2021:2093
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet wegens te late indiening bij Sociale verzekeringsbank
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Hiertegen stelde appellante verzet in. De Raad onderzocht of het verzet tijdig was ingediend. De uiterste datum voor het indienen van het verzetschrift was 2 april 2021, maar het verzetschrift werd pas op 23 april 2021 ontvangen, met een poststempel van 22 april 2021.
De gemachtigde van appellante voerde aan dat het late indienen te wijten was aan de tijd die nodig was voor overleg met appellante na ontvangst van de uitspraak. De Raad oordeelde echter dat appellante niet had aangetoond dat het te late indienen niet aan haar te wijten was. Het verzetschrift was gedateerd op 29 maart 2021, dus tijdig opgesteld, maar er was geen pro forma verzetschrift binnen de termijn ingediend om de termijn te bewaren.
De Raad stelde dat de gemachtigde binnen de termijn een pro forma verzetschrift had kunnen indienen en daarna nog overleg had kunnen voeren. Omdat dit niet was gebeurd, werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te kennen aan appellante. De uitspraak werd gedaan door rechter J.C. Boeree op 13 augustus 2021.
Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het verzetschrift.