ECLI:NL:CRVB:2021:1979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 39,9% door UWV
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker en chauffeur schoolvervoer en viel uit wegens knieklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, later omgezet naar een loonaanvullingsuitkering met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 39,9% na medisch en arbeidskundig onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en bezocht meerdere spreekuren bij verzekeringsartsen, waarbij functionele beperkingen werden vastgesteld en functies werden geselecteerd die geschikt zouden zijn voor hem. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en appellant ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde ondanks een formele schending van de hoorplicht, omdat appellant niet in zijn belangen was geschaad.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het rapport werd opgesteld op de dag van zijn operatie. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de gekozen functies medisch geschikt waren. De schending van de hoorplicht werd eveneens gepasseerd omdat appellant voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten te uiten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellant, waarmee de vaststelling van 39,9% arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 39,9% en verklaart het hoger beroep ongegrond.