ECLI:NL:CRVB:2021:1968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies WIA-uitkering
Appellant, laatst werkzaam als customer service medewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens psychische en fysieke klachten. Het UWV stelde zijn arbeidsongeschiktheid vast op 37,35% en wees hem vijf passende functies toe. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en rekening hield met alle klachten, waaronder ADHD en het Léri-Weill-syndroom.
In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zijn beperkingen, zoals waak-slaapstoornis, chronische pijn en ADHD, onvoldoende zijn meegewogen. Hij verzocht om een onafhankelijk verzekeringsarts en betoogde dat hij de functie productiemedewerker niet kan vervullen vanwege het verhoogd persoonlijk risico.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en volgde het standpunt van het UWV dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Er was geen medische onderbouwing voor een aanvullende urenbeperking of voor het ongeschikt verklaren van de functies. De soldeerbout in de functie productiemedewerker werd niet als gevaarlijke machine beschouwd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor benoeming van een deskundige, omdat er geen twijfel bestond over de medische beoordeling. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.