Uitspraak
14 augustus 2019, 18/692 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als digitaliseermedewerkster en ontving na afloop van haar dienstverband een WW-uitkering. Na ziekmelding wegens energetische en mentale klachten, en het bereiken van de maximale WW-duur, kreeg zij een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering na een eerstejaars beoordeling, waarbij werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de inschatting van de verzekeringsarts. Ook de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat appellante geschikt was voor bepaalde functies ondanks haar beperkingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar hand-, rug-, nek- en vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegenomen. De Raad stelde vast dat deze klachten medisch waren beoordeeld en vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst, en dat de aanvullende medische stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de eerdere uitspraak dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd. Er is geen aanleiding voor toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd na een zorgvuldige medische beoordeling.