Uitspraak
20.2615 AW, 20/4108 AW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, werkzaam bij de politie, verzocht om plaatsing in een hogere functie ([functie 3]) op grond van feitelijke werkzaamheden die hij gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan 1 juli 2017 zou hebben verricht. De korpschef wees dit verzoek af omdat betrokkene niet voldeed aan alle niveaubepalende elementen van de functie. De rechtbank oordeelde aanvankelijk in het voordeel van betrokkene en bepaalde dat hij geplaatst moest worden in de gewenste functie.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van de korpschef behandeld en geoordeeld dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de referteperiode de kern van de functie en de niveaubepalende elementen analyseren en organisatorische coördinatie in overwegende mate heeft uitgevoerd. De Raad verwees naar het ontbreken van ondersteunende stukken bij de verklaringen van de leidinggevende en de inhoud van functioneringsformulieren en e-mails die een andere taakvervulling suggereren.
Betrokkene voerde tevens een incidenteel hoger beroep aan tegen het gebruik van de Handleiding LFNP door de korpschef, maar dit werd door de Raad verworpen. De Raad oordeelde dat de Handleiding slechts toelichtingen bevat en het toetsingskader niet uitbreidt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene en zijn collega in gelijke omstandigheden verkeerden.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het bestreden besluit van de korpschef in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot plaatsing in de hogere functie wordt afgewezen.