ECLI:NL:CRVB:2021:1894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding bij intrekking hoger beroep wegens verwijtbaarheid appellante
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere. Tijdens de procedure verstrekte appellante pas na het indienen van het hoger beroep de gevraagde Chinese bankafschriften, waardoor het college pas daarna een nieuw besluit kon nemen dat volledig tegemoetkwam aan haar bezwaren.
Appellante trok vervolgens het hoger beroep in en verzocht de Raad om het college te veroordelen tot vergoeding van haar proceskosten. Het college betoogde dat appellante geen recht had op deze vergoeding omdat zij de benodigde gegevens niet eerder had aangeleverd, waardoor het college niet eerder tot een juiste besluitvorming kon komen.
De Raad oordeelde dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld door de gevraagde gegevens niet tijdig te overleggen. Hierdoor waren de procedures voor de rechtbank en de Raad noodzakelijk geworden. Omdat appellante niet had gesteld dat zij de bankafschriften niet eerder kon overleggen, bestond geen grond voor vergoeding van de proceskosten. Wel kon appellante het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college verhalen.
De Raad wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en sloot de procedure zonder zitting. De uitspraak werd gedaan door rechter J.N.A. Bootsma, in aanwezigheid van griffier M. Zwart, op 27 juli 2021.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens verwijtbaarheid van appellante.