ECLI:NL:CRVB:2021:1837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens schouderklachten. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat de medische beoordeling juist was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onjuist waren vastgesteld, met verwijzing naar artrose in beide schouders, eerdere operaties en advies om de schouders te ontlasten. Ook stelde hij mentale problemen te hebben. Het UWV scherpte een beperking aan en wijzigde geselecteerde functies, maar bleef bij de conclusie dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De Raad oordeelde dat de aanscherping terecht was en de medische en arbeidskundige onderbouwing toereikend. De beperkingen en functies zijn passend vastgesteld. Het bestreden besluit was formeel niet deugdelijk gemotiveerd, maar dit leidde niet tot benadeling van appellant. Daarom werd het besluit in stand gelaten. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.