ECLI:NL:CRVB:2021:1832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WW-uitkering na herziening door UWV
Appellant ontving vanaf 30 maart 2019 een WW-uitkering gebaseerd op een vastgesteld dagloon. In mei 2019 gaf hij via een formulier zijn inkomsten over april 2019 door, maar het UWV constateerde dat de werkgever een lager loon had opgegeven bij de Belastingdienst. Hierdoor werd vastgesteld dat appellant een te hoge uitkering had ontvangen en moest hij € 692,14 terugbetalen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, stellende dat hij zijn inkomsten ook telefonisch had doorgegeven en dat het UWV hem vertrouwen had gewekt dat geen terugvordering zou plaatsvinden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het om een voorlopige betaling ging die kon worden herzien.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen bewijs dat appellant zijn inkomsten telefonisch had doorgegeven en ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De terugvordering werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 692,14 aan te veel ontvangen WW-uitkering over april 2019.