ECLI:NL:CRVB:2021:1804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening besluit AOW wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft in 2007 een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij in de periode 1965-1971 in Nederland heeft gewerkt onder een andere naam. Dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland. Na eerdere afwijzing en een uitspraak van de Raad in 2018, verzocht appellant in 2018 om herziening van het besluit, onderbouwd met een notariële akte en een attestation de concordance.
De Sociale Verzekeringsbank handhaafde het eerdere besluit omdat de aangeleverde stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die herziening rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de nieuwe documenten aantonen dat hij en de persoon met de andere naam dezelfde zijn.
De Raad oordeelt dat de aangeleverde documenten geen controleerbare, nieuwe feiten bevatten, maar slechts getuigenverklaringen die niet objectief verifieerbaar zijn. Daarnaast verschillen belangrijke persoonsgegevens zoals geboorteplaats en geboortedatum. Daarom is geen reden om het besluit van 2007 te herzien. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het AOW-besluit wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.