ECLI:NL:CRVB:2021:1750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziekengeld op grond van arbeidsongeschiktheid na bedrijfsongeval bevestigd
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval met klachten van duizeligheid en hoofdpijn. Het UWV stelde vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een arts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige de beperkingen en verdiencapaciteit opnieuw beoordeelden, met een uitkomst dat appellant nog 97,46% van het maatmaninkomen kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de subjectieve klachten onvoldoende waren om meer beperkingen aan te nemen. In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met rapporten van een contra-expert.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was, dat het lichamelijk onderzoek door de primaire arts was verricht en dat de arts bezwaar en beroep haar oordeel voldoende had gemotiveerd. De rapporten van de contra-expert boden geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook werd geen deskundige benoemd omdat er geen twijfel bestond over het standpunt van de arts bezwaar en beroep.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.