ECLI:NL:CRVB:2021:1740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling tegen Sociale Verzekeringsbank na schorsingsbesluit nabestaandenuitkering
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de schorsing van haar nabestaandenuitkering door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De Svb had de uitbetaling op 1 november 2017 geschorst en dit besluit op bezwaar gehandhaafd. Het beroep van appellante werd door de rechtbank ongegrond verklaard. Later, op 3 juni 2020, werd de uitkering met terugwerkende kracht hervat.
Appellante trok daarop haar hoger beroep in en verzocht de Raad om de Svb te veroordelen in de proceskosten. De Raad oordeelde echter dat er geen sprake was van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door de Svb in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat de Svb bleef volhouden dat het schorsingsbesluit correct was. Bovendien kon de Svb op grond van eerdere bevindingen een gegrond vermoeden hebben dat het recht op uitkering niet meer bestond.
De Raad concludeerde dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor proceskostenveroordeling en wees het verzoek af. Ook in de bezwaarfase kon de Svb niet worden veroordeeld in proceskosten omdat het schorsingsbesluit niet onrechtmatig was herroepen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 14 juli 2021.
Uitkomst: Het verzoek om de Sociale Verzekeringsbank te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen.