ECLI:NL:CRVB:2021:1728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering appellante wegens verdiencapaciteit passend bij medische beoordeling
Appellante was werkzaam als medewerkster wasserette en meldde zich ziek tijdens haar zwangerschap. Het UWV kende haar een ZW-uitkering toe, die later werd beëindigd op basis van een medische beoordeling die stelde dat zij geschikt was voor haar werk. Appellante maakte bezwaar en kreeg aanvankelijk gelijk, waarna het UWV het besluit herzag en de uitkering alsnog beëindigde omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten van appellante voldoende waren meegewogen. In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar beperkingen, ondersteund door medische stukken van diverse specialisten.
De Raad concludeert dat de medische beoordeling juist is, dat de aanvullende medische informatie geen aanleiding geeft tot twijfel, en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt afgewezen. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij medisch geschikt is voor geselecteerde functies en meer dan 65% van haar loon kan verdienen.