ECLI:NL:CRVB:2021:1704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en niet-herleving van WW-uitkering wegens langdurige detentie
Appellant ontving een WW-uitkering die door het UWV werd beëindigd omdat hij vanaf 10 december 2014 gedetineerd was. Hij verzocht om herleving van de uitkering na zijn detentie, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de detentie langer dan zes maanden duurde, wat volgens artikel 21 van Pro de WW tot niet-herleving leidt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de dwingende bepalingen van de WW geen ruimte laten voor herleving van de uitkering na langdurige detentie. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte had geschorst en verzocht om heropening van het onderzoek, mede verwijzend naar rapporten over onrecht in de uitvoering van sociale zekerheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de feitelijke duur van de detentie bepalend is en dat deze langer dan zes maanden was. Daarom is herleving van de WW-uitkering uitgesloten. Er was geen reden het onderzoek te heropenen of de dwingende werking van artikel 21 WW Pro buiten toepassing te laten. Het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV werd ongegrond verklaard, terwijl het eerdere besluit werd vernietigd.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd vanwege detentie langer dan zes maanden en het recht op herleving bestaat niet.