Uitspraak
20 1008 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.Dit gesprek heeft erin geresulteerd dat appellant op 4 oktober 2018 een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Appellant heeft zijn aanvraag aangevuld op 12 oktober 2018.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 30 januari 2018 bijstand aangevraagd, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na een gesprek op 4 oktober 2018 bij Sociale Zaken diende appellant een nieuwe aanvraag in met als uitkeringsadres het adres van zijn zus. Het college voerde een onaangekondigd huisbezoek uit op 26 oktober 2018, waarbij appellant niet werd aangetroffen en in de vermeende slaapkamer geen bed maar een matras tegen de muur stond. De hoofdbewoonster verklaarde dat er geen persoonlijke spullen van appellant aanwezig waren.
Het college wees de aanvraag af op 6 november 2018 wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf op het opgegeven adres. Appellant maakte bezwaar en kreeg een hoorzitting waarbij hij inzage in zijn telefoonlocatievoorzieningen weigerde. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en in hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat hij weinig spullen had vanwege een zwervend bestaan in Marokko.
De Raad oordeelde dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college. De verklaringen van de hoofdbewoonster en het ontbreken van persoonlijke spullen maakten aannemelijk dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.