ECLI:NL:CRVB:2021:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was sinds december 2008 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling heeft het UWV de uitkering per 20 december 2017 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen niet juist waren vertaald.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen adequaat hadden vastgesteld en gemotiveerd. In hoger beroep voerde appellant aan dat de nuanceringen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet overeenkomen met zijn situatie en dat hij op grond van de Participatiewet is vrijgesteld van arbeidsverplichtingen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische beoordeling en de vertaling daarvan in de FML juist zijn. De Raad vond geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en bevestigde dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.