ECLI:NL:CRVB:2021:1670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bovenwettelijke werkloosheidsuitkering na toekenning IVA-uitkering
Appellante was werkzaam als lokaalassistent en ontving vanaf augustus 2014 een WW-uitkering en een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van WWplus namens het college. Vanaf 21 december 2016 ontving zij een IVA-uitkering, waardoor zij geen recht meer had op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. WWplus vorderde daarop een bedrag van € 6.245,59 terug, bestaande uit een bruto bedrag over 2017 en een netto bedrag over januari 2018.
Appellante maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat het bedrag gematigd had moeten worden door af te zien van brutering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de terugvordering in bruto bedragen rechtmatig is omdat het jaar 2017 fiscaal was afgesloten en verrekening niet meer mogelijk was.
De Raad wijst appellante op de mogelijkheid om bij de Belastingdienst een teruggave te vragen van te veel ingehouden loonheffing. Er is geen reden voor matiging van de terugvordering. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de terugvordering van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bevestigd.