ECLI:NL:CRVB:2021:1660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit korpschef tot verval bezoldiging wegens weigering arbeidsdeskundig onderzoek
Appellant, sinds 1980 in dienst bij de politie en sinds 2014 arbeidsongeschikt, weigerde mee te werken aan een arbeidsdeskundig onderzoek dat door de korpschef was gelast vanwege twijfel over zijn geschiktheid voor zijn functie. Ondanks meerdere waarschuwingen en uitnodigingen verscheen appellant niet op de afspraken en gaf hij als reden gegrond wantrouwen aan, wat door de Raad niet als een deugdelijke grond werd beschouwd.
De korpschef stelde het verval van de bezoldiging vast op grond van het Besluit bezoldiging politie. Appellant had de mogelijkheid om zijn bedenkingen vooraf kenbaar te maken of deze aan de arbeidsdeskundige voor te leggen, en kon rechtsmiddelen inzetten tegen besluiten op basis van het arbeidsdeskundig rapport. Ook het verzoek om overleg met een advocaat werd niet als voldoende reden gezien om niet te verschijnen.
De Raad oordeelde dat de korpschef appellant voldoende tegemoet was gekomen door uit coulance een onafhankelijk geneeskundig onderzoek aan te bieden. Het hoger beroep van appellant slaagde niet en de uitspraak van de rechtbank Den Haag werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verval van de bezoldiging wegens weigering mee te werken aan het arbeidsdeskundig onderzoek wordt bevestigd.