Uitspraak
20 707 ZW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig dakdekker, meldde zich ziek per 27 september 2017 en zijn dienstverband eindigde op 1 februari 2018. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze per 17 november 2018 na een beoordeling waarbij werd vastgesteld dat appellant nog meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische en arbeidsdeskundige beoordelingen juist en voldoende onderbouwd waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde aan dat hij verdergaande beperkingen had die niet waren erkend, onder meer door klachten aan armen, nek, rug en het gebruik van pijnmedicatie. Hij verzocht ook om een nieuw objectief onderzoek. De Raad concludeerde echter dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de eerdere beoordelingen. Tevens is vastgesteld dat appellant niet in een situatie van geen benutbare mogelijkheden verkeert zoals bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een deskundige af wegens het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling van het UWV. Ook het besluit van de gemeente omtrent ontheffing van arbeidsinschakelingsverplichtingen werd niet als relevant beschouwd voor de beoordeling van de Ziektewetuitkering. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.