ECLI:NL:CRVB:2021:1630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten en opleggen boete
Appellant ontving bijstand en had inkomsten via een uitzendbureau die niet waren gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van Arnhem. Het college trok de bijstand over de periode van 9 juli 2018 tot en met 30 september 2018 in en vorderde de kosten terug tot een bedrag van €2.788,27. Tevens legde het college een boete op van €1.180,- wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde aan dat hij de inlichtingenverplichting niet had geschonden omdat hij een kopie van zijn overeenkomst met het uitzendbureau had overgelegd. De Raad oordeelde echter dat dit geen informatie gaf over de omvang van de inkomsten, waardoor het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. Ook werd vastgesteld dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld, mede omdat hij eerder al een boete had gekregen voor soortgelijke feiten.
Verder stelde appellant dat de berekening van de aflossingscapaciteit onjuist was omdat het vakantiegeld niet meegeteld mocht worden. De Raad bevestigde dat het college het maandelijks opgebouwde vakantiegeld terecht heeft meegerekend en dat rekening is gehouden met de beslagvrije voet. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd en de opgelegde boete is proportioneel; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.