ECLI:NL:CRVB:2021:1597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij
Appellant ontving bijstand en werd verdacht van het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn woning. De politie trof op 6 januari 2018 diverse aanwijzingen aan voor een hennepkwekerij, waaronder koolstoffilters, afzuigers en resten van teelaarde. Appellant verklaarde dat derden de kwekerij hadden opgezet en dat hij deze had gesaboteerd vanwege bedreigingen.
Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand in en vorderde eerder verleende bijstand terug, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting zou hebben geschonden door het niet melden van de kwekerij. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen toereikende feitelijke grondslag was voor het standpunt van het college. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de politiegegevens en de verklaringen van appellant voldoende bewijs vormen voor de aanwezigheid van een hennepkwekerij. De stelling van sabotage werd niet onderbouwd en was tegenstrijdig met eerdere verklaringen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.