ECLI:NL:CRVB:2021:158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op extra kinderbijslag wegens fiscaal partnerschap ondanks feitelijk gescheiden leven
Appellante had voor 2017 een extra bedrag aan kinderbijslag aangevraagd wegens een kind met intensieve zorgbehoefte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat appellante fiscaal partner was van haar echtgenoot, ondanks dat zij feitelijk niet samenwoonden sinds 2005. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het fiscale partnerschap op basis van objectieve criteria blijft gelden zolang geen echtscheidingsverzoek is ingediend.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden onrechtvaardig is en in strijd met het discriminatieverbod van het EVRM en het IVBPR. De Raad overwoog dat het discriminatieverbod niet elke ongelijke behandeling verbiedt, maar alleen die zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De wetgever heeft ruime beoordelingsvrijheid op het terrein van sociale zekerheid en koos voor eenvoudige, toetsbare criteria voor het fiscale partnerschap.
De Raad concludeerde dat het feitelijk gescheiden leven van appellante niet doorslaggevend is en dat het fiscale partnerschap blijft gelden zolang geen echtscheidingsverzoek is ingediend. De partnerregeling is niet in strijd met het discriminatieverbod, mede vanwege de bijzondere juridische en sociale gevolgen van het huwelijk. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Appellante komt niet in aanmerking voor het extra bedrag aan kinderbijslag omdat zij fiscaal partner is van haar echtgenoot ondanks feitelijk gescheiden leven.