Uitspraak
19 510 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een uitkering op grond van de Wajong aan vanwege een laag intelligentieniveau en fysieke klachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant arbeidsvermogen zou hebben, hoewel erkend werd dat hij niet aaneengesloten een uur kan werken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de situatie niet duurzaam is en dat er behandelmogelijkheden zijn.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onvoldoende gemotiveerd had en dat eerdere begeleiding geen verbetering bracht. De Raad volgde het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelden dat appellant kans heeft op verbetering door behandeling en begeleiding, ondanks zijn gedragsstoornis en verstandelijke beperking.
De Raad oordeelde dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is omdat er mogelijkheden tot ontwikkeling en verbetering zijn. De motiveringsgebreken in bezwaar werden gepasseerd wegens het ontbreken van nadeel voor appellant. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.