ECLI:NL:CRVB:2021:144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig automonteur, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met rug-, knie- en schouderklachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en bracht aanvullende medische rapporten in, waaronder een gewijzigde FML en een rapport van een eigen verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de beperkingen niet waren onderschat en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad te reageren op het UWV-rapport en dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid tot reactie had gehad, dat de gewijzigde FML correct was en dat de geselecteerde functies passend bleven.
Het bestreden besluit werd in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing, waardoor het gebrek in het besluit niet tot benadeling van appellant leidde. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.