ECLI:NL:CRVB:2021:1280
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opvang met verblijf dochter
Verzoeker heeft zich gemeld voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Almere had aanvankelijk besloten dat verzoeker geen recht op opvang had vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf. Dit besluit werd later herroepen, waarbij werd vastgesteld dat verzoeker wel in aanmerking komt voor opvang, maar niet in een eigen zelfstandige kamer.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen het collegebesluit ongegrond, met als reden dat bij de verstrekking van maatschappelijke opvang geen rekening hoeft te worden gehouden met de dochter van verzoeker. De moeder van de dochter heeft het gezag en de primaire zorg, en de opvang is bedoeld om dakloosheid tegen te gaan, niet om omgangsregelingen met kinderen mogelijk te maken.
Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening voor opvang die het verblijf van zijn minderjarige dochter mogelijk maakt. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van deze voorziening, ook niet vanwege een aangekondigde beëindiging van de opvang. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.P.A. Boersma op 28 mei 2021.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor opvang waarbij de dochter kan verblijven is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.