ECLI:NL:CRVB:2021:1196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante, voormalig schoonmaakster, kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door verzekeringsartsen van het UWV werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 12,41%, waarna de WGA-uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat haar medische klachten, met name gynaecologische en buikklachten, onvoldoende waren meegenomen in de beoordeling.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medisch oordeel zorgvuldig en gemotiveerd was en de ingebrachte medische stukken geen nieuwe relevante informatie bevatten die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de ernst van haar klachten onderschat is, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het UWV.
De Raad stelt dat de medische beoordeling, inclusief de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), adequaat rekening houdt met de klachten van appellante en dat er geen aanleiding is een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad concludeert dat de beëindiging van de WGA-uitkering terecht is en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellante is terecht beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.